Schrijfgoden

Ik nodig mijn hoofdpersonage uit om mee te gaan naar het ziekenhuis. We lopen langzaam door de draaideur naar de afdeling orthopedische chirurgie. Tegenover de gipskamer gaan we zitten in de blauw metalen stoelen die met elkaar verbonden zijn zodat we dicht tegen elkaar aankruipen. Ik hoop dat ik de gipskamer in kan, met een beetje geluk is mijn voet dan over twee weken geheeld en kan ik weer flierefluitend de wereld in. Mijn hoofdpersonage tikt met haar hakken op de grijze vloer. Linkervoet, rechtervoet. Dan staat ze op. ‘Ik wacht buiten op je.’ ‘Blijf alsjeblieft. Laten we nog wat schrijven.’ Een diepe zucht klinkt. Ze gaat weer zitten en neemt het tijdschrift dat naast haar ligt, over de moderne man en zijn auto. Hoe verveeld kun je zijn. Mijn naam klinkt. Ik sta op. ‘Tot zo.’ De verpleegkundige gaat voor. Een stevige handdruk van de orthopedisch chirurg. Ik beantwoord deze maar het lijkt meer op knijpen. Een door de zon gebruinde man, ik schat hem begin vijftig, grijzende lokken, blauwe ogen die vriendelijk kijken. Hij zou een mooie minnaar kunnen zijn voor mijn hoofdpersonage. ‘De uitslag van de MRI-scan, een afgescheurde enkelband. Tot de zomer rust. Uw voet had in december direct in het gips gemoeten.’

Nog drie maanden. Mijn gedachten schieten alle kanten op. 

Zondagochtend, 9 december 2012. Ik besluit op het laatste moment mee te gaan op een stiltewandeling in het bos en duingebied van Oranjezon en trek snel mijn Cruella de Ville nep bontjas aan, laarzen, handschoenen en oorwarmers. ‘s Middags wil ik mijn schrijfplan voor de schrijfweek in Hubermont nog eens doorlezen, woorden en zinnen aanpassen en de laatste punten en komma’s zetten zodat het per mail opgestuurd kan worden naar Geert Kimpen en Christine Pannebakker.  Een schrijfweek in de Ardennen met workshops, coachinggesprekken en ontmoetingen met andere schrijvers en voor enkele gelukkigen later in het jaar een contract met de uitgeefster. Wat als ze de drie pagina’s tekst die ik meestuur met de vragenlijst waardeloos vinden of juist bejubelen, zal ik toch een ander fragment kiezen…

Ik loop en probeer de gedachten die mijn hoofd bezetten los te laten. ‘Iedere stap is vrede’ zegt Thich Nhat Hanh. Twee herten in winterkleed rennen voorbij tussen de kale bomen. In de verte staan er nog twee, de oren gespitst, wachtend tot het groepje wandelaars voorbij gegaan is. Takjes breken onder voeten, het stof van een regenjas maakt een schurend geluid. Iemand kucht. Regendruppels vallen van de takken, het kronkelige pad is glibberig en glad. Voor mij loopt een vrouw, ze maakt foto’s en wijst naar een elfenbankje. Dan voel ik mijn voet langzaam wegglijden. Ik maak een knieval, buig alsof ik mij verontschuldig tegenover de konijnenfamilie wiens holletje ik beschadig. Als ik opsta en de modder van mijn broek veeg, voel ik hoe mijn bovenbeenspieren protesteren en vijf stappen verder weigert ook mijn linkervoet. Ik krijg een kruk van een van de andere wandelaars en in pijnlijke stilte strompel ik terug. Een paar uur later zit ik, na een bezoekje aan het ziekenhuis, op de bank. Voet omhoog, omhuld door enkele ijszakken, paracetemol in mijn maag.Twee krukken staan naast me. Ik stuur het schrijfplan op zonder laatste correctie.

Ik realiseer mij nu, de uitslag horende van de MRI-scan, dat als de datum nadert waarop ik mijn manuscript mag inleveren bij uitgeverij De Brouwerij, mijn voet genezen zal zijn. Een winter lang zat ik gekluisterd aan huis, geen lange strandwandelingen, geen schrijverssmoezen van ik moet nog even deze cursus doen en dit project erbij nemen. Nee, zitten en schrijven. Zitten en schrijven, zitten en schrijven. De komende drie maanden zullen hetzelfde ritme hebben en uitvluchten hebben weinig zin. Welke schrijfgoden zijn hier aan het werk?  

Ik kijk de chirurg lachend aan. Hij trekt zijn wenkbrauwen op. ‘Binnenpretje.’ Als ik in de wachtkamer kom zie ik dat mijn hoofdpersonage vertrokken is. Ik weet dat zij nu ongeduldig wacht op de lokatie aan zee waar ze mij haar woorden en zinnen dicteert. 

schrijf een reactie